01-01-17

3. Het gedrag van Tropheus.

TROPHEUS STORY - Het gedrag van Tropheus

dit artikel is deel 3 uit een serie van 6, geschreven door Erwin van Agtmael
foto's zijn van Bart Jansen, tenzij anders vermeld.


A. Algemeen gedrag
Het geslacht Tropheus bestaat uit cichliden die ervan houden in groep te leven en die, in vergelijking met andere cichliden van het Tanganjikameer, een hoog sociaal gedragspatroon ontwikkeld hebben. Tropheus-dieren leven gewoonlijk in dichtbevolkte groepen langs de kusten. De Tropheus is een agressieve cichlide. Biologisch gezien betekent dit dat hij in dichte populaties leeft in een omgeving die rijkelijk is voorzien van voedsel. Hiervan uitgaande werden reeds verschillende wetenschappelijke onderzoekingen uitgevoerd om het gedrag van de Tropheus-soorten te leren kennen en begrijpen.

Het proefaquarium werd krachtig belicht van 6.00 h tot 22.00 h en daardoor verkreeg hij de gewenste algengroei. Wolfgang Wickler (WW) bestudeerde in het bijzonder de wisselende kleurpatronen bij agressies, in normale omstandigheden en bij schrik. Ook bij de seksuele ophitsing zowel bij het paringsspel als bij het vechtgedrag. Het kleurpatroon dat WW beschreef geldt alleen voor de variant die hij gebruikte bij zijn onderzoek, namelijk de roodgele Burundi moorii (Tropheus moorii Rutunga of Brabant moorii) en de verschillende kleurpatronen zijn dus niet algemeen voor alle Tropheus-soorten en kleurvarianten. Later werd een meer algemeen overzicht van kleurtekeningen gegeven bij verschillende gemoedsstemmingen bij verschillende soorten (H. Scheuermann en M. Nelissen).

De proefgroep van WW vertoonde een krachtige tendens om een aaneengesloten groep te vormen met een hoge sociale rangorde, zoals we die kennen bij de zoogdieren. Ik denk hier in het bijzonder aan het gedrag van de bavianen, die men reeds gedurende vele jaren heeft bestudeerd, en waarmee men vele parallellen kan trekken. Vele aquarianen hebben in de praktijk de theorieën van WW uitgetest zonder dit zelf te beseffen. Bij WW gebeurde hetzelfde als bij vele liefhebbers: een groep toevallig samengezette vissen waarbij de volwassen exemplaren zich direct meester maakten van een territorium en de onderlinge machtsverhoudingen uitmaakten.

In de regel wordt het sterkste mannetje de dominerende figuur en hij kan ongehinderd in heel het aquarium rondzwemmen maar met een bepaalde plaats als uitgangspunt. Normaal duurt het niet lang tot de overige exemplaren hun plaats innemen op de hiërarchische ladder. Die plaats wordt bepaald door factoren zoals geslacht, grootte en seksuele rijpheid. In de regel zijn het weer de mannetjes die de plaatsen volgend op het dominerende mannetje innemen maar dit is absoluut niet altijd het geval. Bij TM kunnen verschillende mannetjes bijna evenwaardig zijn terwijl we bij Tropheus duboisi (TD) en Tropheus brichardi (TB) slechts één enkel mannetje zien domineren. De andere mannetjes worden, veel lager op de rangladder, voorbijgestoken door verschillende vrouwtjes. Vooraleer zulke rangorde is tot stand gekomen tussen toevallig geïmporteerde en samengezette Tropheus-vissen kan er zoveel agressiviteit in het aquarium geweest zijn dat men zweert nooit meer dieren van het geslacht Tropheus in huis te halen.

Wanneer de rangorde eenmaal is vastgelegd en allen hun correcte plaats in de sociaal gestructureerde samenleving hebben ingenomen herkent men nauwelijks de cichliden van tevoren. Plots kan er echter een probleem ontstaan doordat een volgroeid mannetje hogerop wil op de sociale ladder, en dan kan er wat onrust groeien totdat dit mannetje heeft aangetoond dat hij waardig is de rol van het dominerende mannetje over te nemen, ofwel met de nodige gevechten heeft ingezien dat zijn pogingen nutteloos zijn en zijn lagere plaats in de samenleving terug inneemt. Zulke schermutselingen kunnen wel een week in beslag nemen en alleen in het slechtste geval hebben ze een dodelijke afloop. We hebben reeds gesproken over de wisselende kleurpatronen en dit is één van de middelen die Tropheus gebruikt om te communiceren met zijn soortgenoten. Bij vele dieren spelen audiovisuele factoren een rol in hun gedragingen. Bij vissen hield men er alleen rekening mee dat het zien van kleuren en vormen gebruikt werden in gedragsfuncties maar men heeft ontdekt dat verschillende vistypen waaronder cichliden, geluid kunnen voortbrengen en hiermee kunnen communiceren.

Bij deze cichliden is er ook de Tropheus die door Mark Nelissen samen werd gehouden met Haplochromis burtoni, om door middel van "geluidsbeelden" aan te tonen hoe nauw deze geslachten met elkaar verbonden zijn. In zijn originele tekst betwijfelt Jorgen Tvedegaard het belang van dit geluid doch in een studie van Nelissen (die ik in mijn bezit heb) wordt gesteld dat Tropheus 5 tot 7 typen van klankuitstotingen heeft. Bij deze klankuitstotingen die afzonderlijk werden beschouwd zijn er 2 of 3 in zuivere relatie met een bepaald gedrag. Dit communicatiemiddel lijkt bij cichliden van reëel belang te zijn naast de goed ontwikkelde visuele communicatie.

Tropheus-biotoop



Tropheus moorii zou 6 typen van geluid voortbrengen en 4 kleurpatronen bezitten.
Tropheus duboisi zou 5 typen van geluid voortbrengen en 5 kleurpatronen bezitten.
Tropheus brichardi zou 7 typen van geluid voortbrengen en 4 kleurpatronen bezitten.
Ieder kleurpatroon of geluid komt overeen met een bepaald gedrag. Bij Tropheus-vissen is het mogelijk volgende patronen te onderscheiden :
- neutraal patroon
- dominant of agressief patroon
- ondergeschikt patroon
- balts- en legpatroon
- broedpatroon

Het is dus interessant te weten dat Tropheus ook communiceert door middel van geluiden en niet alleen via kleuren, vormen en bewegingen.

B. Paringsgedrag
De rangorde die we hiervoor beschreven, komt waarschijnlijk slechts voor in onze aquaria waar het gebied begrensd is. Op het gedrag in de natuur waar de biotoop onbegrensd is komen we later nog terug. Wat het paringsgedrag zelf aangaat is er geen twijfel, deze en alle wetenschappelijke beschrijvingen zijn gebaseerd op aquariumwaarnemingen. Wanneer de sociale rangorde in ons aquarium is tot stand gekomen kan het paringsspel in theorie beginnen. De dieren moeten goed gevoed en geslachtsrijp zijn. Een wijfje schiet geen kuit en legt geen eieren voor de biologische functies te kennen geven dat ze nu in staat is het lange muilbroedproces door te komen. Was dit niet het geval dan zou het ras spoedig uitgestorven zijn.

Het dominerende mannetje heeft zijn territorium waarin alleen geslachtsrijpe vrouwtjes toegelaten worden. Zo een mannetje gaat zeker niet op zoek naar vrouwtjes in alle uithoeken van het aquarium. Dit gebeurt op een manier die eigen is aan Tropheus. In tegenstelling tot andere cichlidengeslachten maakt het mannetje lokkende en gracieuze bewegingen zonder gebruik te maken van zijn vinnen. Ook de zwemfunctie gebeurt door middel van zijn lichaam en voorzichtige staartbewegingen. Het intensief schudden en sidderen zijn belangrijke gedragsfactoren. De kleuren van het lokkende mannetje zijn vrij intens maar zoals gezegd, de vinnen zijn onbeweeglijk. Wat zijn vorm betreft: hij ziet er eigenlijk niet zo indrukwekkend uit. Hieruit blijkt alleen hoe groot en efficiënt de rol van de kleuren is. De intensiteit van de kleuren en de tekening zijn twee zeer belangrijke factoren. De kleurintensiteit van de buikpartij van zowel het mannetje als vrouwtje nemen merkbaar toe. Dit is misschien te verklaren doordat de partners tijdens het grootste deel van het paringsspel hun buikpartijen naar elkaar hebben gedraaid. Wanneer het mannetje een met kuit gevuld wijfje opmerkt tracht hij haar dus te lokken naar een door hem op voorhand gekozen plaats. Het is alsof er een automatische communicatie ontstaat tussen en dominerend mannetje en een paringsklaar wijfje. De paringsplaats is bijna altijd een licht hellend effen vlak en hetzelfde mannetje gebruikt steeds opnieuw de paringsplaats die hij uitgekozen heeft. De wijfjes zijn niet zo vertrouwd met de paringsplaats, worden wat onzeker en zwemmen keer op keer weg. Met veel geduld lokt het mannetje haar terug naar de paringsplaats.

Iets wat het hoge ontwikkelingsstadium van de Tropheus aantoont is dat het ganse verloop verschillende dagen kan duren : eerst kennismaking, dan communicatie, lokken en het paren zelf dat eveneens erg langdurig kan zijn. Een andere bijzonderheid van Tropheus is de zogenaamde "pseudo-spawning". Dit wil zeggen dat het wijfje niet paringsgereed is maar het mannetje denkt van wel. Het wijfje speelt dan mee "voor de grap". De hele procedure wordt dan helemaal afgewerkt met één verschil : het wijfje legt geen eieren. Dit schijnparen komt meestal voor één of twee weken voor het echte kuitschieten plaatsvindt. Wanneer men ziet hoe geduldig het mannetje te werk gaat bij de paring is men toch verbaasd. Men zou verwachten dat de polygame Tropheus heel wat minder tijd zou besteden aan één enkel vrouwtje. Het is alsof de Tropheus-man een monogame verhouding aangaat voor de duur van een paar dagen, waarna de dieren elk weer hun eigen weg gaan. Dit geldt vooral voor de TM terwijl men bij de TD een enigszins vaste verhouding voor een langere periode waarneemt. Het paartje doet eerst verschillende "proefritten" over de paringsplaats. Juist voor het eigenlijke kuitschieten en in dat verband gaat het mannetje nog vlug even algen afknagen of er even aan nippen. Het ziet er allemaal erg gemotiveerd uit en schijnt geen verband te houden met de paring. Het zou kunnen dat het mannetje zich in een soort van stress bevindt en daarom een "oversprong" uitvoert. Dit fenomeen is ook gekend bij andere diersoorten. Deze "oversprong" heeft geen directe gevolgen voor het paringsspel. Het ritueel wordt enkel even onderbroken. Die "oversprong" komt helemaal niet voor in verband met gevechtshandelingen of andere gedragingen.

Evenals Tropheus kan Petrochromis in kleine groepjes worden waargenomen.



Wanneer de inleidende formaliteiten achter de rug zijn gaan de dieren over tot de feitelijke paring, het leggen van de eieren en de bevruchting ervan. Bij het paren glijdt het vrouwtje op haar zij, dicht bij de uitgekozen plek. Het mannetje hangt in een overeenstemmende zijdelingse houding rond de paringsplaats en vormt zodoende met het vrouwtje kop tegen staart een cirkel. Beiden glijden een paar maal rond in deze cirkel zonder dat er eieren gelegd worden. Het legapparaat van het vrouwtje, een doorzichtige buis, is maximaal naar buiten gekomen. Deze buis heeft een diameter van 2 à 3 mm. Ze is flexibel en zet zich uit om de grote eieren te laten passeren. De legbuis van het vrouwtje komt tevoorschijn verscheidene dagen voor de eigenlijke paring plaats heeft en dikwijls ter gelegenheid van de vroeger beschreven "pseudo-spawning". De eieren zijn gemiddeld 5 mm in diameter maar kunnen nog groter zijn bij grote en oudere vrouwtjes. Deze eieren mogen in de cichlidenwereld beschouwd worden als zeer groot.

In vergelijking met andere muilbroedende geslachten produceert het kuitschietend vrouwtje van Tropheus slechts een klein aantal eieren. Dit plaatst het geslacht Tropheus bij de hoogst ontwikkelde cichliden van de wereld.
Gezien de lange tijd van de paring zou men denken dat het vrouwtje vele eieren afzet. Normaal legt zij slechts 10 à 12 stuks af. Bij vissen in gevangenschap werden toch al grotere worpen gezien, zelfs tot 30 stuks. Dit is waarschijnlijk een gevolg van de goede conditie waarin ervaren aquariumliefhebbers van heden hun kweekdieren kunnen brengen voor de paring plaats heeft. In de natuur heeft Tropheus niet zoveel vijanden, in het aquarium heeft hij er meestal geen.
Tijdens de paring zet het wijfje één ei per keer af, waarna zij zich bliksemsnel omkeert en het ei met haar bek ophapt. Het mannetje gaat dan op zijn zijde liggen en geeft met een licht trillen zijn zaad af direct in de bek van het vrouwtje, terwijl zij met haar bek aan zijn aarsopening hangt. De eieren die zich reeds in haar mond bevinden zijn vanaf dan bevrucht. In dit stadium is er een fantastisch contact tussen het paar en de bodem van de paringsplaats. Het mannetje verstaat de kunst om met zijn aarsvin de bodem te volgen zodanig dat heel deze vin naar het wijfje gekeerd wordt. In de gevallen waarin de aarsvin van het mannetje voorzien is van duidelijke eivlekken, ziet het er juist uit dat er al een paar eieren gelegd zijn, die langzaam over de bodem rollen zoals echte eieren. Bij een wijfje dat voor de eerste maal kuitschiet kan dit proces heel wat tijd in beslag nemen.

Het wijfje kan juist voor het paringsspel, zich bedenken en zich terugtrekken naar een ander deel van het aquarium. De man bewaart intussen gewoonlijk zijn fatsoen en met zijn karakteristieke lokkende en sidderende bewegingen overtuigt hij normaal het vrouwtje om terug te komen naar de paringsplaats en de handeling weer op te nemen. De mannetjes van veel muilbroedende geslachten van het Malawimeer maken in dergelijke situatie veel sneller ruzie, en jagen het wijfje letterlijk de dood in, als zij niet direct bereid is het afgebroken paringsspel weer op te nemen.
Bij het paringsspel siddert het mannetje een ongelooflijk aantal keren. Ditzelfde sidderen komt ook voor bij een Tropheus in gevecht of wanneer hij bedreigd wordt door een serieuze tegenstander. Volgens Wolfgang Wickler zou dit "siddergedrag" seksuele gevoelens opwekken bij de tegenstander en de agressie daardoor afzwakken. Dit geldt zowel voor mannetjes als voor vrouwtjes onderling en ook voor een combinatie van beiden.

Voor het overige heb ik opgemerkt dat bij mijn Tropheus-vissen, waarbij de aquariumverlichting op vaste tijden ontstoken en gedoofd wordt, bijna altijd in de vroege morgen het paringsspel plaats heeft.
In de studie van M. Nelissen wordt aangetoond dat Tropheus-soorten voornamelijk 's nachts en bij het aanbreken van de dag erg actief zijn. Dit verklaart ook hun voorkeur van klanken tegenover kleurpatronen.
- Tropheus moorii is actief van 18.00 h tot 10.00 h met een periode van sterke activiteit van 20.00 h tot 6.00 h.
- Tropheus duboisi is actief van 20.00 h tot 10.00 h met een periode van sterke activiteit van 22.00 h tot 8.00 h.
- Tropheus brichardi is actief van 2.00 h tot 16.00 h met een periode van sterke activiteit van 4.00 h tot 8.00 h.
Wanneer het paringsspel bezig is, is het Tropheus-mannetje zeer agressief tegenover nieuwsgierige indringers die wel eens een paar versgelegde eitjes zouden kunnen wegsnoepen, want hiervoor is de voorraad wel te klein. Ook hier ziet men een verschil met de Malawi-muilbroeders. Het territorium van het Tropheus-mannetje is zeer klein en hij aanvaardt dat eventuele bezoekers dichtbij komen. Andere muilbroeders zijn zeer agressief, ook buien hun territorium. Zij kunnen een indringer minutenlang opjagen wat het paringsspel onnodig onderbreekt en misschien zelfs definitief beëindigt. Het Tropheus-mannetje daarentegen is extreem agressief binnen zijn klein territorium en verzekert er zich zo van dat niemand het paringsspel onderbreekt. Het Tropheus-mannetje concentreert zich intens op zijn partner en men kan hem het wijfje zien helpen wanneer zij het moeilijk heeft een groot ei door de legbuis te persen. Het paar kan verschillende minuten stil hangen. Het mannetje stimuleert met zijn snuit de streek rond de legbuis van het vrouwtje. Het vrouwtje ontspant alzo en het ei wordt uigedreven. Er is nog een manier waarop het mannetje hulpvaardig kan zijn. Meer dan eens gebeurt het, dat het vrouwtje ondanks dat ze haar eieren vanuit de hoogte legt, een eitje over het hoofd ziet en verliest zodat het op de grond valt. Het mannetje raapt dan het eitje op en is zo intelligent dat hij boven het vrouwtje gaat zwemmen en het ei laat vallen. Het vrouwtje beschouwt dit als een nieuw gelegd exemplaar en neemt het instinctief in de mond waarna de paring onverdroten wordt voortgezet.
Dit heb ik ook al waargenomen bij Tropheus "Moliro". Het mannetje moest zelfs het ei enkele minuten vasthouden in de mond voor hij de juiste positie had boven het vrouwtje om het ei te kunnen laten vallen!

Wanneer het paringsspel het einde nadert kleurt het vrouwtje zich plots anders. Ze wordt minder sterk gekleurd en daardoor minder opvallend voor eventuele vijanden. Dat is erg praktisch wanneer men bedenkt dat ze nu geremd door haar kostbare last niet helemaal in staat is zich te verdedigen tegen eventuele vijanden. Onmiddellijk nadat de eieren gelegd zijn zwellen zij ingevolge de grote hoeveelheid eigeel tamelijk veel en eerst na 5 of 6 etmalen verminderen ze van grootte. Daarentegen groeit nu de larve en enkele etmalen later is er opnieuw plaatsgebrek.
Nadat het eileggen en de bevruchting geheel achter de rug zijn, doet het paartje nog enkele toertjes over de paringsplaats zoals bij de pseudo-paring. Dan trekt het vrouwtje zich terug in een schuilplaats tussen de rotsen. Daar blijft ze een korte tijd alvorens ze opnieuw opdaagt en haar plaats inneemt in de beschuttende gemeenschap.

Tropheus sp. red Moliro aan het afzetten



Vele aquariumliefhebbers zijn geneigd nu in te grijpen in het natuurlijk proces, en vangen het wijfje uit het aquarium om haar in een quarantaine aquarium, eventueel voorzien van een omgekeerde bloempot, een buis of iets dergelijks onder te brengen. Het vrouwtje zit dan in dat bakje tot de jongen zijn uitgespuugd. Dit wordt gedaan omdat het wijfje niet verstoord zou worden door andere vissen tijdens haar broedperiode. Want zo redeneert men, ze zou wel eens zo kunnen schrikken dat ze haar eieren of zelfs jongen opeet. Dikwijls gebeurt dan het tegenovergestelde van wat men betracht. Het wijfje spuugt de eieren uit of ze eet ze op. Er zijn ook aquarianen die de wijfjes de eieren laten uitspuwen en deze eieren in een klein bakje "zelf" grootbrengen. Wanneer de eieren visjes worden missen deze diertjes echter het "spotten" met de moeder. Ze herkennen de eigen soort niet. Later wanneer het volwassen vissen is, zijn ze bijna allen een beetje "karaktergestoord". Voor de voortplanting zijn deze dieren ongeschikt!

Daarom is het beter het Tropheus-wijfje met rust te laten gedurende het muilbroeden. Ze kan alzo haar volwaardige jongen uitspuwen en laten opnemen in de aanwezige groep. Dit houdt geen gevaar in voor de jongen daar deze visjes zo goed ontwikkeld zijn dat ze uit zichzelf in staat zijn om bliksemsnel een schuilplaats te vinden. Ze zijn ook in staat om zelfstandig algen van de stenen te plukken of ander voedsel tot zich te nemen. Verder zwemmen kleine Tropheus-visjes graag rond in scholen onder het motto "met velen sterk". Tropheus-wijfjes nemen ook tijdens de broedperiode voedsel tot zich, al zijn het maar kleine hoeveelheden.

Dit is te verklaren doordat het wijfje zuiver instinctief weet dat haar muilbroedperiode lang duurt, en ze bijgevolg wat moet eten om deze periode door te komen.
De muilbroedperiode duurt normaal 25 à 30 dagen. Dan spuugt het vrouwtje haar eerste jongen. Tijdens de daarop volgende 10 à 12 dagen volgen de volgende jongen. Tijdens deze 12 dagen past ze wel zeer intens op haar eerste jongen daar deze door het plaatsgebrek in haar muil wel wat kleiner uitvallen dan de jongen die laatst uitgespuugd worden. Er zijn vele discussies over hoe lang een Tropheus-wijfje haar kroost verdedigt tegen vijanden. Over het algemeen kan men stellen dat het wijfje hieromtrent niet zo bijzonder agressief kan genoemd worden. Dit kan verklaard worden door het feit dat ze haar kroost relatief gemakkelijk in het oog kan houden en agressiviteit is dan niet noodzakelijk.
De eieren zijn gemiddeld 5,5 à 6,5 mm lang en 3,5 à 4 mm breed en zijn dus ovaal. Ze zijn oranjebruin. Op de vijfde dag komt een kleine schaduwachtige vlek tevoorschijn op de buitenkant van de dooierzak en ook de ogen laten zich vermoeden. Op de zesde dag kan goed het hartje waargenomen worden en de ontwikkeling van het lijfje wordt meer duidelijk. Op de zevende dag kippen de eieren en hebben we Tropheus-larven. Ze kunnen niet zwemmen maar wel met de staart sidderen en zien. Op de dertiende dag komen de pigmenteringen van de dieren en op de vijftiende dag kan men zien hoe de flanken gekleurd zijn.

De larve ligt normaal op haar zijde en dit tot de 21ste dag. De 22ste dag springt het jong over kleine afstanden. (De zwembewegingen zijn kleine sprongen). Ze proberen dan wat voedsel te vangen, maar ze eten niets. Op de 27ste dag zijn de jongen normaal 13 mm groot en ze zwemmen goed. Af en toe zinken ze nog naar de bodem. Vanaf de 30ste zwemmen ze zonder rustpauzes op de bodem en ze nemen zelf voedsel. De eierdooierzak is opgebruikt rond de 34ste dag maar algemeen is dit niet. Bij een temperatuur iets boven de 25 gr. C kan men het ontwikkelingsproces wel enkele dagen bespoedigen. Toch neemt het Tropheus-vrouwtje het broed nog tot zich, maar echt beschermen doet ze haar jongen niet.

Het lage aantal van eieren en jongen, gecombineerd met het lange muilbroeden en de bewakingsperiode tonen ons nog eens aan dat we hier te doen hebben met een hoog ontwikkelde cichlide. De Tropheus produceert weinig jongen, die evenwel groot en levenskrachtig zijn en de soort heeft normaal gezien een zeer klein percentage aan verliezen in dit stadium. Wanneer de jongen uitbreken na 34 dagen in een gezelschapsaquarium, zoeken ze onmiddellijk eigen schuilplaatsen. Alleen in een zeer klein aquarium kan men dan nog de jongenverzorging vaststellen.
Misschien is het wel zo dat Tropheus in de natuur een minder ontwikkelde zorg voor zijn jongen aan de dag legt dan in onze aquaria. Er is een theorie die zegt dat Tropheus in de natuur helemaal niet territoriaal is. Tropheus zou in grotere scholen dan algemeen aangenomen rondtrekken en dit over een afstand van 500 meter. Deze grote scholen zouden geen gesloten groepen vormen, omdat wanneer de school voedselzoekend rondtrekt in de kustzone er nu en dan leden achtergelaten worden terwijl anderen de school vervoegen.

Tropheus duboisi met jongen in de bek



In het maandblad "Cichlidae" van augustus 1992 lezen we het volgende :
(Een studie geschreven door Yasunobu Yanagisawa & Mutsumi Nishida die als titel draagt: The Social and Mating Systems of the Maternal Mouthbrooder Tropheus moorii in Lake Tanganyika en verscheen in de Japanese Journal of Ichthyology).

Mannetjes zowel als vrouwtjes zouden een eigen voedselterritorium onderhouden. De mannetjes bezetten hierbij hogere rotsen dan de vrouwtjes. De vrouwtjes verlaten hun territorium om te paren. Gedurende een periode van drie weken voorafgaande aan de daadwerkelijke paring, blijft het vrouwtje in het territorium van het mannetje. Vermoed wordt dat vrouwtjes in hun eigen territorium niet voldoende voedsel kunnen vergaren om de eieren voldoende te laten rijpen.
Masanori Kohda schreef het artikel : Intra- and Interspecific Social Organisation among Tree Herbivorous Cichlid Fishes in Lake Tanganyika. Behalve Tropheus moorii (TM) komen in dit artikel ook Petrochromis trewavasae (PT) en Petrochromis orthognathus (PO) voor. Deze soorten moeten twee of drie verschillende territoria in stand zien te houden.
- De directe omgeving van de paaiplaats.
- Het voedselterritorium.
- Een gebied waaruit concurrerende, gelijksoortige mannetjes worden geweerd.
Kohda geeft veel interessante informatie. Zo is soms een mannelijke TM niet meer in staat zijn territorium te verdedigen tegen PO nadat de PT daar was weggevangen. Onder andere omstandigheden bleek PT echter weer afhankelijk te zijn van TM om datzelfde doel te bereiken. Volgens de auteur bepalen de onderlinge verhoudingen in een interspecifieke samenleving de wijze waarop "gildes" worden gestructureerd en in stand gehouden.
Tot daar het artikel in Cichlidae.

Omdat Tropheus zulke kleine broedsels heeft zou men denken dat het kuitschieten dikwijls plaats vindt. Ingevolge de lange muilbroedperiode en de daarop volgende broedverzorging, de regentijd en het wisselende voedselaanbod gebeurt dit in regel slechts 2 à 3 maal per jaar. In het aquarium kan men de omstandigheden verbeteren en tot 6 worpen komen. Worpen die kunnen variëren tussen de 5 en de 30 stuks. Volgens Tropheus-verzorgers is er wel moeilijk een lijn te trekken in het aantal worpen per jaar van één enkel vrouwtje en is er geen merkbaar verschil in ei- en jongenaantal tussen de verschillende Tropheus-soorten.
Het paringsgedrag zelf wijkt ook niet wezenlijk af van de ene soort tot de andere en deze beschrijving mag als algemeen aanzien worden. Het vredelievende gedrag bij de broedverzorging komt goed overeen met het geduldige gedrag bij de paring. Deze vredelievende trekken komen vrij veel voor bij een geslacht zoals Tropheus dat biologisch als agressief betiteld wordt.

Vooraleer het vechten begint komt het meermaals voor dat een meer vredelievende houding vertoond wordt die dikwijls de actieve vechtfase overbodig maakt. Dit vredelievende gedrag heeft als enig doel de agressie van de tegenstander te milderen. Het is gewoonlijk het zwakste individu dat deze vredespoging onderneemt, in de hoop een gevecht te kunnen vermijden. Bij cichliden in het algemeen maakt de zwakste zich kleiner door zijn vinnen samen te klappen, zich onzichtbaar te maken en alle sterke kleuren van zijn lichaam te weren om daardoor de voortzetting van het gevecht uit te stellen, het helemaal te beëindigen of te vermijden.

Bij Tropheus klappen de vinnen ook samen maar het primaire signaal bij zijn vredespogingen wordt gegeven door middel van kleuren en kleurpatronen tezamen met het sidderen van het lichaam. In werkelijkheid is dit een kopie van het besproken paringsgedrag. Twee agressieve Tropheus-exemplaren die met elkaar geconfronteerd worden (geslacht speelt hier geen rol) vertonen allebei hevige kleuren of kleurpatronen, die onmiddellijk doen denken aan de kleuren bij het paren, en de bedoeling is duidelijk genoeg. Door seksuele gevoelens bij de tegenstander op te wekken verzwakt diens agressiviteit en het verder zetten van het gevecht wordt op natuurlijke wijze vermeden. Dit is noodzaak omdat Tropheus in dichte populaties leeft waarin dergelijke confrontaties veelvuldig en onontkoombaar zijn. Dit gedrag is dus volkomen normaal in aquaria waarin de levensruimte beperkt is.

C. Vechtgedrag
Het vechtgedrag dat normaal volgt op de eerder beschreven vredelievende houding kan gemakkelijk ingedeeld worden in de volgende fasen :
- Dreigen
- Staartslag
- Krachtmeting mond aan mond
- Flankbijten

Krachtmeting mond aan mond - T. polli



Het vechtgedrag is een fenomeen dat algemeen voorkomt bij de meeste cichliden. De Tropheus volgt dan ook voor een groot gedeelte het algemeen vechtpatroon van de cichliden, misschien wel op een meer gecultiveerde en verfijnde manier.
Wanneer het vredelievende gedrag niet heeft geholpen wordt er met het eerste deel van het vechtgedrag, namelijk het dreigen begonnen. De dreighouding van Tropheus is van zeer korte duur. Door hun communicatie via kleuren, sidderen en geluid maken de vissen snel uit wie de sterkste is. We zien nooit twee mannetjes lang naast elkaar staan om door te dreigen de tegenstander te doen opgeven en zijn biezen te pakken. Zo een langzaam dreigen zien we dikwijls bij Malawicichliden en in volstrekte tegenstelling tot de Tropheus gebeurt dit met uitgespreide vinnen.
De Tropheus gaat snel over tot het eigenlijke vechten. Door enkele geweldige staartslagen wordt het gevecht ingeleid. Dit is in de meeste gevallen weer een fase van korte duur en dit wordt gevolgd door een krachtmeting waarbij de vechters zich vastbijten in elkaars mond of kaakpartij om de andere nog maar eens te overtuigen van zijn kracht. Op deze manier sleurt men dan de tegenpartij door het aquarium.

In de natuur houdt het vechten hier dikwijls op en de vissen zwemmen elk hun eigen weg. In het aquarium waar de ruimte beperkt is gaan de vissen dikwijls over tot de laatste en beslissende fase : het flankbijten. Met grote woestheid vallen ze elkaars meest kwetsbare plek aan, namelijk de flank. Het gevecht eindigt dan zeer snel en de zwakste partij mag zich gelukkig prijzen als hij er het leven niet bij laat. Deze laatste gevechtshandeling heeft al vele aquarianen kostbare Tropheus-exemplaren gekost, maar dit was ook een bewijs dat het aantal of de samenstelling in het aquarium fout was. Als de beide vissen nog in leven zijn zullen ze altijd weten wie de strijd gewonnen heeft en in de verre toekomst weten wie van hen hoger staat in de sociale rangorde. Dit vermijdt verdere gevechten en zorgt ervoor dat de hiërarchie in de gemeenschap volledig in evenwicht is.

00:05 Gepost door Tanganyika Groep in Algemeen, Tanganyika Artikels | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

31-12-16

2. Het biotoop waarin Tropheus leeft.

TROPHEUS STORY - Het biotoop waarin Tropheus leeft

dit artikel is deel 2 uit een serie van 6, geschreven door Erwin van Agtmael
foto's zijn van Bart Jansen, tenzij anders vermeld.


Het Tanganjikameer, waar het geslacht Tropheus endemisch voorkomt hoeft niet nader voorgesteld te worden. Het meer is in detail beschreven door vele bekende auteurs, ook in verband met andere cichlidengeslachten en van de visfauna in het algemeen. Daarom worden hier alleen de aspecten behandeld die van nut kunnen zijn bij het dagelijks verplegen van de Tropheusen en voor het fokken van zijn nakomelingen.

De kusten van het Tanganjikameer kan men onderverdelen in verschillende zones namelijk: rotskusten, zandkusten, overgangszones en moerasgebieden. Wij zullen hier alleen de rotskusten bespreken vermits de Tropheus volledig gebonden is aan rotsgebieden en zich bijna nooit over langere afstanden in andere biotopen beweegt of in elk geval nooit lang. Het speciale gebit van de Tropheus is hier een natuurlijke verklaring voor. Dit is zoals we vroeger reeds gezien hebben volkomen aangepast voor het afgrazen van de algen en de Tropheus is dus wel verplicht daar te blijven waar hij zijn voedsel, dus algen vindt en deze groeien op rotsen in relatief ondiep water bij de kust. Hoe ondieper het water hoe meer algen ten gevolge van de zonnestralen in de bovenste waterlagen en ook min of meer grotere "ontvankelijkheid" van de rotsen voor de algengroei speelt een rol.

Het Tanganjikameer wordt door vier landen begrensd. In het noordoosten door Burundi, het ganse westen door de Democratische Republiek Congo (voorheen Zaïre), het zuiden door Zambia, en ongeveer 500 km van de oostkust is Tanzania. Het meer heeft een oppervlakte van 34.000 km2. (België = 30.500 km2) Het meer heeft een lengte van ongeveer 650 km, is op de breedste plaats 80 km breed en heeft een maximale diepte van 1470 m. De watertemperatuur komt het ganse jaar door nooit onder de 24°C en de pH varieert tussen de 8,8 en de 9,3. De zichtbaarheid doorheen het water is ongeveer 15 m in optimale wind- en weersomstandigheden. In de bloeiperiode van de algen vermindert de zichtbaarheid al snel tot enkele meters. Bij de riviermondingen komt er ook slib en andere rommel in het meer en dit vermindert ook de zichtbaarheid ter plaatse.

Jonge Tropheus in ca. 20 cm. diep water



Tropheus houdt zich altijd op bij de rotsen waar het water meestal, omdat er geen bodemslib ligt, zeer helder is. Hiernaar moeten wij dan ook streven in onze aquaria. In 1975 bezocht een Noors aquariumliefhebber het meer in Tanzania en bij die gelegenheid bezocht hij het vangststation van Pierre Brichard in Burundi in het noordoostelijk deel van het meer waar hij enkele waterontledingen uitvoerde waarvan de resultaten de volgende waren:

Wateranalyse Tanganjikameer op 27/02/1975:
- pH: 8.9
- DH (tot hardheid): 10.6
- Geleidend vermogen microsiemens: 590
- Calcium: 8.5 mg/l
- Magnesium: 41.0 mg/l
- Natrium: 62.0 mg/l
- Kalium: 24.0 mg/l
- Koper: < 0.2 mg/l
- Mangaan: < 0.1 mg/l
- Zink: < 0.05 mg/l
- IJzer: < 0.2 mg/l
- Chloride: 23.0 mg/l
- Sulfaat: < 1.0 mg/l
- Fosfaat: ca 2.0 mg/l
- Jodide, Bromide: 1.0 mg/l
- Carbonaat: 250.0 mg/l
- Gloeirest: 405.0 mg/l

De temperatuur van het oppervlaktewater ligt het hele jaar door tussen 24°C en 27.5°C met een dagelijkse variatie van 0.5 tot 1°C. Dit geringe verschil in temperatuur tussen het oppervlaktewater en bodemwater belet de vermenging van het zuurstofrijke oppervlaktewater met het zuurstofloze bodemwater, want er kunnen geen convectiestromingen optreden. Ten gevolge hiervan ligt het zuurstofrijke water als een kussen op het bodemwater. Wie iets van waterchemie kent en ook de eisen kent waaronder Tropheusen moeten gehouden worden weet dus nu dat er geen problemen (op waterchemisch gebied) kunnen zijn om deze vissen te verzorgen.



Jacobson Beach - Tanzania



Ook het kopiëren van de rotskust zou ook geen probleem mogen geven. Het bekijken van de veelvuldige onderwaterfoto's moet toch genoeg inspiratie geven. Voor het rotsbiotoop kan men ronde keien, ter grootte van een hand of groter gebruiken. De stenen hebben liefst een glad oppervlak want ook in het biotoop is dit zo. Hoe dichter men bij de kust komt hoe meer de stenen en de rotsen gladgeslepen zijn van het ondiepe water.

In de natuur zorgt de constant sterke zonneschijn op de oppervlakte van de bovenste rotsen voor een maximale begroeiing met algen. Door de moderne aquariaan wordt de zon vervangen of nagebootst door lampen, zelfs de lengte van de dag kan men zelf bepalen door middel van een eenvoudige tijdklok. Door de sterkte en de kleur van onze lampen juist te kiezen zijn we in staat onze Tropheus te voorzien van zijn natuurlijke voedsel algen. De vraag is wel of we in ons aquarium voldoende algen kunnen voortbrengen om als hoofdvoedsel te dienen voor onze dieren. Een juiste verhouding tussen het aantal dieren en de grootte van het aquarium zal er hier zeker voor zorgen dat de cichliden in flinke conditie te houden zijn uitsluitend met de algen als voeding.



T. duboisi (Tanzania - Mahale NP)



Om even terug te komen op de waterchemie kan vermeld worden dat op veel plaatsen het gewone leidingwater zeer goed geschikt is voor de cichliden uit het Tanganjikameer en men moet zich dus het hoofd niet breken over de waterhuishouding op chemisch vlak. Liefhebbers die minder geluk hebben met hun "kraantjeswater" kunnen per 1000 liter water 400 à 450 gram kalk en 20 gram keukenzout toevoegen en daarna de pH-waarde van het water bijsturen met soda tot 8-8,5. Dr. Wolfgang Wickler die Tropheus meer dan 10 jaar bestudeerde wendde dit recept aan in zijn onderzoekaquaria. In de handel vindt de aquariaan verder up-to-date instrumenten en chemicaliën waarmee hij zijn aquariumwater kan controleren en aanpassen en dit met grote nauwkeurigheid.

Met betrekking tot het voeden met zelf gekweekte algen wordt door velen aan het goede resultaat getwijfeld maar een proef door mijzelf uitgevoerd op volwassen Tropheus duboisi met geen ander voedsel als deze algen slaagde zeer goed. De proef slaagde zo goed dat een Tropheus duboisi wijfje na enkele maanden ging paren, eieren legde en de mondbroed periode volledig doormaakte. De Tropheus duboisi waren in een goede conditie. (mooi slank en bijzonder levendig). Minder goed was het gesteld met enkele anderen gesteld. Ze zaten in een ander aquarium en werden gevoederd met verschillende soorten voer. Ze waren molliger van uitzicht en niet zo vinnig in hun gedragingen. Ook waren ze minder geneigd tot paren en kuit te schieten als hun soortgenoten in het "natuurlijk" biotoop.

Een noodzakelijke voorwaarde voor de groei van de "juiste" groene algen is dat het water naast de juiste specificaties en de juiste zoutconcentratie ook een kristalklare helderheid heeft. Bij de minste troebelheid worden de algen niet zo mooi groen als de Tropheus verkiest. Dit laatste probleem kan opgelost worden door veelvuldig water verversen, door een goede filtering, en een combinatie van beiden. In het Tropheus biotoop komt de Tropheus bijna niet in aanraking met de grondlaag en die grondlaag is dus niet echt noodzakelijk in het aquarium. Toch kan ze maar weggelaten worden in "zuivere" Tropheus aquaria. Normaal wordt de Tropheus samen met andere cichliden uit het meer in één aquarium gezet en vele vissen hebben een natuurlijke afhankelijkheid van deze bodemlaag. Misschien beschouwen veel aquarianen de bodemlaag als een decoratief element omdat er in een specifiek voor Tropheus opgebouwd aquarium geen andere vorm van "versiering" voorkomt. (bv plantengroei).



In het Tanganjikameer komen er natuurlijk zoals in alle grote meren planten voor maar dan hoofdzakelijk op de zandbodem. Onder de meest gekende noemen we Myriophyllum, Nymphaea en Vallisneria maar die zien we helemaal niet in het Tropheus biotoop. Op het eerste zicht zou men denken dat een correct opgebouwd Tropheus aquarium er maar eentonig uitziet maar ondanks alles is dit niet het geval. De vele rotsstenen overgroeid met groene algen en met een groep algetende Tropheus vissen die hun uitzonderlijke levensgewoonte laten zien rond deze rotsen is vast en zeker één van de meest fascinerende belevenissen uit de aquariumwereld. Men ziet namelijk een biotoop zoals dit er echt uitziet in het Tanganjikameer. Dit moet toch wel één van de doelstellingen zijn van de aquariaan: een biotoop willen nabouwen en dit doen met succes. In de natuur leeft Tropheus voor ca. 80% van de algengroei. De overige 20% van zijn voeding bestaat uit copepoden en dergelijke die zich in de algenlaag bevinden. In gevangenschap kan de Tropheus zich aanpassen aan verschillende soorten voer. Wanneer men verschillende soorten (plantaardig) droogvoer te eten geeft en er altijd rekening mee houdt dat men te doen heeft met een algeneter, (planteneter en dus een lang darmkanaal) zal men kunnen genieten van zéér mooie vissen in het aquarium. Het besluit van dit hoofdstuk moet zijn dat men moet streven naar een zo dicht mogelijke benadering van de natuurlijke omstandigheden. Doet men dit, dan ontsnapt men aan veel problemen die men anders één voor één moet trachten op te lossen.

13:56 Gepost door Tanganyika Groep in Algemeen, Tanganyika Artikels | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

07-07-15

TROPHEUS STORY 1.Het geslacht "Tropheus".

TROPHEUS STORY - "Het geslacht Tropheus"

dit artikel is deel 1 uit een serie van 6, geschreven door Erwin van Agtmael
foto's zijn van Bart Jansen, tenzij anders vermeld

Het geslacht Tropheus is afkomstig van het Tanganjikameer in Zuid-Oost Afrika, en is van bij aanvang af het voorwerp geweest van een grote belangstelling zowel vanwege wetenschappers als van aquariumliefhebbers.

De eerste exemplaren van het geslacht werden gevangen en beschreven in 1898!

In die tijd waren vangst, bewaring, en transport mogelijkheden zeer beperkt in Afrika en er kwamen alleen geconserveerde exemplaren naar Europa om er nader bestudeerd te worden.

Deze beschrijvingen waren een begin, en hoe recenter, des te beter worden deze uitgevoerd.

Hoofdzakelijk komt dit omdat men nu in staat is levende exemplaren te verzenden voor nadere studie en omdat aquariumliefhebbers nu de gelegenheid hebben deze dieren in optimale omstandigheden te verzorgen. Zodoende kan men met de praktische ervaring van de liefhebber en het dikwijls theoretische werk van de wetenschapper een goede beschrijving geven van deze dieren.

Verder is men nu in staat om de Tropheus in zijn natuurlijk biotoop te observeren en dit bracht toch wel een revolutionaire vooruitgang in de aquaristiek. Dit maakt dat de gewone liefhebber een goed inzicht krijgt over het uitzicht van het biotoop, welk type vis er gevonden wordt, welk voedsel het dier nodig heeft en aan welke voorwaarden het water moet voldoen.

Ook weet de aquariumliefhebber nu dikwijls uit de éérste hand welke types en kleurvarianten er bestaan en hoe men ze op de beste manier kan verzorgen en kweken.

 

Al deze zaken zal ik in de volgende hoofdstukken zoveel mogelijk uitdiepen. Verder in dit artikel ga ik in op de verschillende typen en kleurvarianten die men tot nu toe kennen van de verschillende soorten.

Verder wordt er in deze bundel ook aandacht besteed aan het gedrag en de aanverwante factoren die interessant zijn voor de aquariumliefhebber en die mogelijk helpen bij het dagelijks verzorgen en het kweken van de eigen Tropheus vissen.

Alle problemen zijn dus in hun eigen hoofdstuk ondergebracht en daarom is het misschien niet misplaatst te beginnen met een grondige uitdieping van het begrip:

"De Tanganjika cichlide Tropheus"

De Tropheus is een middelgrote cichlide, die endemisch leeft in het Tanganjika meer. Hij komt voor in relatief grote groepen, in betrekkelijk laag water langs de oevers van het meer, daar waar de kust rotsachtig is. Hij is een algeneter ( afgrazen ) die normaal polygaam is en een muilbroeder die uiterst agressief kan zijn. Binnen elk van de bestaande soorten komen verschillende kleur-varianten voor.

 

De Tropheus familie De Soorten.

Tot op heden zijn er 5 soorten van het geslacht wetenschappelijk beschreven, namelijk:

·         Tropheus moorii (Boulenger 1898)

·         Tropheus duboisi (Marlier 1959)

·         Tropheus brichardi (Nelissen & Thys van den Audenaerde 1975)

·         Tropheus moorii kasabae (Nelissen 1977)

·         Tropheus polli (G.Axelrod 1977)

 

Tropheus moorii (Boulenger, 1898)

De eerste Tropheus moorii beschrijving dateert van 1898 en is het werk van G.Boulanger. De soortnaam moorii is afkomstig van J.E.S.Moore, die deelnam aan de vangstexpeditie en die later o.m. het boek  “The Tanganyika problem” schreef.

De verschillende manieren die gebruikt werden om TM te determineren werden door de tijden heen heftig bediscussieerd en verschillende kleurvarianten werden verkeerdelijk in verschillende soorten ingedeeld. Dit gebeurde zowel in de wetenschappelijke als in aquaristische middens.

T_moorii_Kasakalawe  Bart Jansen.jpg

Er waren dus uiteenlopende meningen over het feit hoe TM juist beschreven moest worden. Dit wordt het best toegelicht met enkele voorbeelden. Boulenger beschreef in 1898 de soort als een 115mm grote donkerbruine vis, met een blauwwitte vlek op de flanken en een gelige buik. In 1956 beschrijft Max Poll zijn grootst gevangen exemplaar van 126mm als volgt: oog klein, mond groot en onderstandig geplaatst. De tanden in het voorste deel van de bek zijn voorzien van twee punten, de andere zijn driepuntig (tricuspied). De kleur beschreef Poll als bruinachtig.

Kleur beschrijvingen werden steeds op dode dieren uitgevoerd. (gevangen met de hengel, met het net of gedynamiteerde vissen). Levende vissen werden beschreven als olijfgroen met gele buik. De flanken zijn dan voorzien van onregelmatige goud- gele vlekken en strepen. Boven de borstvinnen bevindt zich een grote oranje-bruine vlek. De vinnen zijn grijs, terwijl de rug en staartvin afgezoomd is met citroengele vlekken.

Deze beschrijvingen komen van gevangen exemplaren van vangstation 319.

In Max Poll’s werk van 1956  “Poissons cichlidae” wordt verwezen naar verschillende vangstations en we lezen bijv. dat bij station 217 exemplaren werden gevangen met een groter langwerpig kersenrode vlek op de flanken. Rug-, aars- en buikvinnen bevatten eveneens voor het grootste deel de zelfde kleur.

Max Poll ving zijn dieren hoofdzakelijk op een diepte van 4 meter en observeerde muilbroedende wijfjes met eieren die juist uitkwamen. Het grootste ei had een diameter van 3mm.

Fryer en Iles vermelden in 1972 in hun omvangrijk werk  “TheCichlid Fishes from the Lakes of Africa “ talrijke verschillende kleurpatronen zoals bv. een bruin type met een beschrijving die zweemt naar een andere soort Tropheus, nl. TB.

Deze voorbeelden tonen duidelijk aan hoe verscheiden het kleurpatroon van TM kan zijn, terwijl alle varianten toen toch tot dezelfde varianten werden gerekend. Verdere studies hebben wel aangetoond dat er een aantal ondersoorten en nieuwe soorten bestaan.

De eerstgenoemde beschrijvingen van TM zijn allen afkomstig uit het noordelijk deel van het meer, omdat dit vroeger het best te bereiken was. Vandaag is men in staat alle delen van het meer te bereiken, als de politieke situatie van het betreffende land het toelaat.

De landen rond het meer Congo, Tanzania, Burundi en Zambia zijn niet allemaal vlekkeloos op dit gebied.

Samen met de betere bereikbaarheid is ook de vangst en exporttechniek er op vooruitgegaan, zodat nu toch al een hele reeks kleurvarianten onze aquaria bereiken.

Dit heeft wel met zich meegebracht dat de systematiek van al deze nieuwe varianten voor grote problemen kwam staan. Er zijn nl. bepaalde varianten die wel in aquariummiddens bekend zijn maar nog niet bij de systematici.

Vanzelfsprekend trachten wetenschap- en aquariummiddens met elkaar samen te werken maar op dit punt blijven toch nog een heleboel misverstanden bestaan, en het is nog de vraag of dit wel ooit op een degelijke samenwerking zal uitlopen.

 

Laten we na deze beschouwing even TM van naderbij bekijken.

 

Uit de verschillende wetenschappelijke beschrijvingen blijkt dat de gemiddelde lengte van de volwassen moorii’s in het meer 20mm bedraagt. We kunnen dus van een middelgrote cichlide spreken. Het compacte torpedo-achtige lichaam is voorzien van krachtige vinnen wat hem in staat stelt om met groot gemak tussen de rotsen door te schieten, vijanden te ontwijken door snelle wendingen en op korte afstand snel te kunnen vertrekken. Om echter lange afstanden snel te kunnen zwemmen is de bouw van zijn lichaam niet geschikt, hiervoor is eerder een lang en smal lichaam vereist. Verder weten we ook dat Tropheus absoluut aan de rotskust gebonden is. De muil is erg breed en dwars geplaatst met een betanding die ideaal is voor het afgrazen van algen.

Vermits Tropheus moorii het langst bekend is en ook het eerst beschreven, is het logisch dat we zijn type zullen gebruiken als uitgangspunt voor alle beschrijvingen en vergelijkingen met de andere en later beschreven soorten en ondersoorten van het geslacht Tropheus.

Diegenen die de literatuur wat bijhouden heeft het misschien wat verwonderd dat de naam Tropheus annectens in deze lijst niet voorkomt. Deze soort werd beschreven in 1900 door Boulenger maar werd bij nadere beschouwing als een synoniem van Tropheus moorii beschouwd. In een van zijn beschrijvingen vernoemd Max Poll zeer kort Tropheus annectens. Voor mij ziet het er echter uit dat de tekening van Boulenger uit 1900 eerder een Tropheus brichardi voorstelt. Ook vermeld Boulenger in zijn beschrijving dat de kleur van TA bruinachtig is wat ook naar TB wijst. Er is dan ook heel wat afgediscussieerd geworden over de overgang van TA naar TM, maar echte conclusies zijn wetenschappelijk nooit getrokken.

Als vangstplaats voor TA wordt Albertville (Kalèmie) opgegeven wat er dan weer op wijst dat het onmogelijk om een TB kan gaan vermits die voorkomen aan de andere kant het meer in de buurt van Nyanza. Verder wordt als kenmerk voor TA het aantal vinstralen opgegeven dat zou verschillen van TM, (5 harde i.p.v. 4) maar het merendeel van de populatie zou echter toch maar 4 harde vinstralen hebben. Verder gebeurde de beschrijving op twee geconserveerde exemplaren en is er sindsdien weinig over geschreven ook al omdat de vangstplaats in rebellengebied ligt in Congo wat de plek zo goed als ontoegankelijk maakt. Wie wil kan zelf zijn besluiten trekken na raadpleging van de bestaande literatuur.

 

Tropheus duboisi (Marlier 1959)

In 1959 werd deze Tropheus beschreven. Het was de Tropheus duboisi die door Marlier uitvoerig werd gedefinieerd, terwijl tegelijkertijd de kennis van de reeds lang voordien beschrevenTropheus moorii door dezelfde auteur werd uitgediept.

Het grootste gevangen exemplaar van de TD was 10,4cm groot en was een volwassen wijfje. Marlier voert aan dat mannetje van TD in het algemeen groter is dan het vrouwtje.

Er zijn geen grote morfolologische verschillen met TM maar factoren zoals gedrag, kleur-tekening bij de jongen, plaatsen en diepten waarop hij voorkomt, waren voldoende opdat dit type een zelfstandige soort zou kunnen zijn nl. Duboisi.

De naam Duboisi stamt af van J. Dubois, een lid van een vangstexpeditie die plaats vond bij Bemba in 1957. In tegenstelling met de TM die reeds werd gevangen in relatief laag water werden deze exemplaren van de TD gevangen op diepten van 3 tot 12 meter. Tegelijk met de beschrijving van Marlier tekende N. Leloup enkele van de gevangen exemplaren zoals hij meende dat ze eruit zagen en deze tekeningen werden gepubliceerd in1959 samen met de genoemde TD beschrijving. Een van deze tekeningen toont het jong stadium van TD, de andere het uitzicht van een volwassen exemplaar.

 

In de biotoop waar de TD voor de eerste maal gevangen werd bevond zich ook een kleurvariant van TM en die twee soorten leefden daar op opvallende wijze uitstekend samen. Natuurlijk droeg de verschillende diepte waarop deze twee typen voorkwamen er toe bij dat ze niet zo dikwijls direct met elkaar geconfronteerd werden. In het begin dacht men dat TD alleen op die plaats gevonden werd maar later werd TD ook waargenomen op meerdere plaatsen in het Tanganjikameer, samenlevend met andere Tropheus soorten en voorkomend in meerdere kleurvarianten die nader zullen beschreven worden in het betreffende hoofdstuk.

TD komt zoals vroeger gezegd in enigszins dieper water voor dan TM maar dit is alleen het geval voor de volwassen exemplaren. De jongen houden zich in meer ondiep water op, dichter bij de kust. De oorzaak hiervan is vrij eenvoudig : Hier vinden zij een biotoop met kleinere stenen die ideale schuilplaatsen vormen net aangepast aan hun grootte. Tussen de grotere rotsen zou het broed gemakkelijk kunnen achtervolgd worden door potentiële vijanden en daardoor nauwelijks overleven. Ook het vormen van groepen in het jeugdstadium is ook een vorm van  “beschutting.&rdquo;

De volwassen TD heeft niet de neiging om groepen te vormen zoals de jongen en in de natuur kan men ze vaak aantreffen in paren of helemaal alleen.

In paren is wellicht lichtelijk misleidend vermits de TD zoals de overige Tropheus als polygaam mag beschouwd worden, dit wil zeggen dat hij er de voorkeur aan geeft meerdere wijfjes in zijn nabijheid te hebben, of in elk geval te paren met een reeks van verschillende wijfjes. In onze aquariums komt het meer voor dat hij slechts een wijfje accepteert.

Tegelijker tijd mag gezegd worden dat dit verschijnsel zeldzamer is bij Tropheus moorii voor wie men zich zoveel wijfjes moet aanschaffen als de beurs het toelaat. De TD is van natuur, zoals de TM en overigens alle Tropheussen een algeneter en een muilbroeder. De TD kenmerkt zich door zijn zwarte grondkleur en zijn karakteristieke witte buikband. De mond is lichtjes meer naar voorgericht als bij de TM. Het is gebleken dat de TD in gevangenschap vredelievender is dan bijvoorbeeld de TM en bij de juiste verzorging is het gemakkelijker hen tot vermenigvuldigen te brengen.

Ik was praktisch gedwongen om hen een uiterst zorgvuldige verpleging te geven want ze hadden mij een klein vermogen gekost. Er waren nog maar weinig exemplaren in Europa ingevoerd. Bij de aankomst waren mijn exemplaren slechts enkele centimeter groot en ik had het genoegen hen te volgen van jongen tot volledig ontwikkelde cichliden, en in ruil voorde goede zorgen schonken zij mij verschillende worpen prachtige jongen.

Het was zeer leerrijk voor mij de hele levenscyclus van de TD te bestuderen van jonge tot volwassen cichliden en ik durf zeggen dat het een goede algemene regel is voor alle Tropheus-soorten: schaf U altijd jongen of kleinere exemplaren aan, dat vereist geduld maar geeft gegarandeerd het grootste rendement bij het kweken. Het is reeds gezegd dat de TD samenleeft met onder andere de TM. Wanneer cichliden kunnen samenleven in een enkel biotoop wil dit normaal zeggen dat ze zich met verschillend voedsel in leven houden. Ik heb reeds geschreven dat alle Tropheus-soorten algeneters zijn.

De TD is dus ook een algeneter.

Maar hoe kunnen dan volwassen dieren van een verschillende soort samen leven en samen eten in dezelfde biotoop zonder &rdquo;elkaar buiten te eten?&rdquo;. Dat kan gebeuren als ze beiden algen afgrazen maar op verschillende manieren en op verschillende plaatsen in hetzelfde biotoop. Hiervoor is de mondplaatsing verantwoordelijk. De TD’s en de TM’s hebben een verschillende mondstand. Geen van beiden is in staat de algen van een heel rotsoppervlak geheel af te grazen en daarom laten ze iets over voor het type dat juist de mondplaatsing heeft om de overige algen af te raspen. Wij kennen dezelfde combinatie bij de  “paardenneuzen” die ook afkomstig zijn van het Tanganykameer, bij wie tot drie geslachten zich kunnen voeden in het zelfde biotoop met het zelfde voedsel. Het gaat hier over de soorten Eretmodus cyanostictus, Spathodus erythrodon en Tanganicodus irsacae. De TD is gemakkelijk te herkennen en wordt slechts zelden verwisseld met andere exemplaren van deTropheus soorten.

 

Tropheus brichardi (Nelissen & Thys van den Audenaerde,1975)

De derde Tropheus in de rij is de Tropheus brichardi. De TB werd beschreven in 1975 door Dr. Mark Nelissen en zijn collega Thys van den Audenaerde.

De beschrijving vond plaats op basis van 10 geconserveerde exemplaren die ze gekregen hadden van Pierre Brichard. Pierre Brichard ontdekte ze en voerde ze uit en in de beschrijving kregen deze vissen de naam van deze man. Deze exemplaren werden gevangen bij Nyanza, langs de Burundi kust van het meer (Oostkust).

De TB heeft een lichaam zoals de andere Tropheus soorten, doch er zijn enkele verschillen t.o.v. TM: de muil is rechtlijniger en breder, de kop is langer, de buikvinnen zijn korter en de zone tussen de ogen (interorbital space) is smaller. Nochtans zijn deze verschillen zo klein dat ze enkel bij dode dieren kunnen vastgesteld worden. Bij levende dieren zijn we voor determinatie aangewezen op de kleurpatronen.

Het grootste exemplaar van de TB types die aangewend werden voor de beschrijving was 86,3cm doch in de beschrijving van Walter Deproost (Cichlidae aug.1981) lezen we dat deze vissen wel 13cm groot worden.

De TB leeft in het meer in grote populaties net zoals de TM. Verrassend is wel dat op de plaatsen in het meer waar TB voorkomt er geen populaties van TM voorkomen alhoewel TM wel voorkomt op plaatsen waar men TROPHEUS POLLI  en TD aantreft (Hans J.Herrmann 1987).

De eerste maal dat ik de wetenschappelijke beschrijving las was ik verbaasd omdat ik uit de tekst heel duidelijk de Tropheus herkende die aquariumliefhebbers al lang in hun bezit hadden onder de volkse naam  “Choco- Moorii “.

Dit is er een goed voorbeeld van dat de kleurvarianten die door de aquariumliefhebbers geplaatst werden in het kader van een bepaalde soort, gemakkelijk van soort kunnen veranderen wanneer de wetenschap er zich gaat mee bemoeien, maar in principe is de volgorde verkeerd. In werkelijkheid zou de wetenschap er zich meer moeten mee bezig houden maar dit is erg moeilijk in een tijd, waarin de import steeds maar toeneemt. Ook Nelissen dacht eerst dat de door Brichard toegezonden exemplaren tot de soort moorii behoorden doch enkel tot op het ogenblik dat hij zijn studies begon en de morfologische verschillen bemerkte.

 

De eigen ervaring met TB is niet zo goed. De gekregen exemplaren waren al tamelijk groot. (12 à 30 cm ). Ze waren zeer agressief en vermits ze groot waren bezorgden ze mij niet veel plezier. In de groep waren enkele mannetjes die elkaar niet konden zien en het was onmogelijk enige harmonie in de groep te brengen. Ook het vullen van het relatief grote aquarium met een massa rotsstenen en een daling van de temperatuur bracht geen rust in de groep. Ik zag mijn Tropheus duboisi slechts in korte flitsen en het kwam mij voor dat ze in plaats van bruin soms grijsachtig gekleurd waren.

 

De vissen in schriksituaties en stress hadden een zwakke tendens donkerder dwarsstrepen te vertonen. Nochtans de normale grondkleur is bruin.

Men beschrijft het type exemplaar als bruinkleurig met een donker gekleurde staartvin. Op de rug bevindt zich een zadelachtige, geelwitte vlek terwijl de buik een soortgelijke maar kleinere vlek vertoont. De bleke lippen zijn met een donker bandje afgezet. De buitenste rand van de weke huid in de aarsvin is stralend oranje, en aan de achterste rand bevinden zich 5 tot 8 gele of oranje vlekken. Het oog is wit met uitzondering van de zwarte pupil. Het bovenste gedeelte van het oog kan bij tijd een beetje geelachtig zijn. Een eerste kleur variant heeft een bruin lichaam met gele dwarsbanden; een ander is geheel bruin met enkel een gelige buik.

Het kleurpatroon kan dus vergeleken worden met dit van de TM. De zadelvlek van de TB kan namelijk scherp afgelijnd zijn, ze kan vaag zijn of geheel ontbreken. Vooral bij vrouwtjes vindt men haast nooit een aanduiding van deze zadelvlek onafgezien van hun gemoedsstemming.

 

De agressiviteit van mijn Tropheus duboisi was geen uitzondering voor hun soort. Geleidelijk kreeg ik van andere aquariumliefhebbers bevestigende vermeldingen en daarom durf ik concluderen dat de TB zeer agressief is, onafgezien zijn levensruimte, de aanwezigheid van soortgenoten of andere Tanganjika cichliden. De TB volgt natuurlijk het zelfde gedragspatroon inzake voedsel zoeken en voortplantingsritueel als dat van de vroegergenoemde TM’s en TD’s.

Nelissen zegt dat de TB een wit uitziende mond heeft, omkranst met een donkere ring. Dit wordt toegeschreven aan het feit dat de TB wanneer hij algen afgraast zijn hele mondpartij krachtig tegen de rots drukt en daarbij de lippen

 “lichtjes” pijn doet. Als gevolg van het bleke uitzicht van de TB is deze verdonkerring zeer duidelijk en Nelissen vermeldt in zijn later werk over het uitzicht van de TB in verschillende fasen, dit fenomeen opnieuw. Wij kennen hetzelfde verschijnsel bij de TD waar men echter slechts bij enkele exemplaren de witte mondpartij aantreft en nog duidelijker ziet ingevolge de koolzwarte grondkleur van de TD.

Hetzelfde deden in werkelijkheid ook Fryer & Iles vermits zij zoals eerder vermeld, bij het bestuderen van de fauna van het Tanganjikameer exemplaren van TM opmerkte die chocolade-bruin waren met één of meer grote gele vlekken.

Er wordt hier gesproken over cichliden die zij opmerkten in de omgeving lichtjes ten zuiden van Lutunga maar toch meer noordelijker dan Nyanza, waar Brichard zegt zijn prototype van de TB gevangen te hebben. Dit zou er op kunnen wijzen dat de TB verspreid is over een groter gebied in het noordoostelijk deel van het meer. Als gevolg hiervan moet hij kunnen samen leven met andere van de gekende TM en TD varianten. Pierre Brichard vermeldde in een voordracht in 1976 dat hij bij Minago bij Nyanza een Tropheus moorii had gevangen die volledig zwart was en niets te maken had met de TB. Eigenlijk gaat het werkelijk om een typische TM en daarmee is een zeker samenleven bewezen, althans in dit gedeelte van het meer.

In 1975 kwamen er op de aquariummarkt een aantal Tropheus-varianten die morfometisch en wat kleur betroffen zo dicht de TB benaderden dat men ze zonder problemen bij de soort Brichardi kon klasseren. De tot nu toe gekende varianten heb ik nader beschreven in het hoofdstuk van de kleurvarianten van de TB. Op enkele uitzonderingen na zijn de TB varianten zo agressief en zo kleurloos dat ik niet verwacht dat ze een succes zullen kennen bij de aquarianen.

 

Ondanks hun nadelen zijn een deel van de varianten verder geïmporteerd geworden, verkocht en gekweekt en men heeft geconstateerd dat de jongen in de groeiperiode het normale  “streepjespatroon “ vertonen. Nu met verloop van de tijd de TB duidelijker beschreven is geloof ik niet dat deze soort in volwassen toestand nog verward wordt met de overige Tropheus soorten, maar dat daarentegen moeilijk blijft om enkele TB kleurvarianten onderling van elkaar te onderscheiden.

 

Tropheus moorii kasabae.

De reden waarom deze soort hier wordt beschreven is vooral van chronologische aard. Mark Nelissen maakte deze beschrijving in 1977. Deze beschrijving en naamgeving waren in die tijd niet te onderschatten. Van deze soort waren toen nog geen tekeningen gemaakt maar met het beeld van de oorspronkelijke TM voor ogen had men een voldoende uitgangspunt.

De Tropheus moorii kasabae (TMK) is namelijk aan de TM soort meer verwant dan met gelijk welke Tropheus van de andere soorten. Toen hij zijn beschrijving maakte dacht M.Nelissen dat hij een soort gevonden had die lichtjes afweek van de andere Tropheusvormen (kleurvarianten) en hij beschreef daarom TMK als een nieuwe sub-specie of ondersoort. Hij verdeelde hiermee de Tropheus moorii in twee ondersoorten nl. de Tropheus moorii moorii en de Tropheus moorii kasabae. Hij legde er de nadruk op dat TMM niet voorkomt in de Kasaba Bay, waaruit de beschreven exemplaren zouden stammen. Volgens Nelissen is de TMK goed te herkennen aan zijn kleuren en er wordt vermeld dat deze kleuren reeds beschreven zijn in1975 door Dr. Wolfgang Staeck die de variant de Regenboogmoorii noemt.

 

Ik persoonlijk kon deze nieuwe beschrijving niet onmiddellijk accepteren want ik had een TM uit de Kasabae Bay samen met een echte Regenboogmoorii in één hetzelfde aquarium en die waren zo verschillend gekleurd dat ik op elk ogenblik de twee varianten kon uit elkaar houden. Nelissen beweerde echter in zijn beschrijving dat deze twee typen identiek waren. Door een persoonlijk contact met Dr. Nelissen kwam ik tot de bevinding dat de etiketten op de zending van de bestudeerde exemplaren verkeerd waren. De cichliden zouden niet in de Kasabae Bay door M. Mischa Fainzibber zijn gevangen. Professor Dr. Thys van den Audenaerde, die de verzameling van Tervuren beheert, was in twijfel over de juiste identificatie over de vissen die gebruikt werden bij de TMK beschrijving van Dr. Nelissen. Niettemin houdt Nelissen aan zijn beschrijving die hij waardevol en acceptabel vindt, zelfs wanneer deze vissen helemaal niet voorkomen in de Kasabae Bay. Alle Tropheus dieren van Zambia die tot nu toe gekend zijn (van Moliro tot de Kalombo rivier) behoren blijkbaar tot de ondersoort Tropheus moorii kasabae. De TMK van Nelissen zou gevangen zijn in de Kasabae Bay in

 

Zambia.

Hij gelijkt op de gewone TM inzake lichaamsbouw maar wijkt biometrisch toch een beetje af van de TMM. De neuspartij bij de TMK is langer, het oog is kleiner en de vinnen zijn in doorsnee korter. Het grootste gevangen exemplaar dat voor de beschrijving gevangen werd had een totale lengte van 12,38 cm. Het hoofd en het middelste deel van het de lichaamszijden zijn donker-rood-bruin en de buik is licht bruingeel. De borst is rood en de hals (?) blauwachtig. De rugvinnen zijn donker violet afgezien van een donkere roodachtige purperen band die voorkomt in het midden van de vinnen. De staartvin is zwart, de aarsvin blauwviolet bij de basis, verder donkerrood tot purper en uiteindelijk zwart. Dit was de beschrijving van een volwassen dier in volle kleurpracht en er moet ook aan toegevoegd worden dat de jonge exemplaren een totaal rode rug en aarsvin hebben. De rand van de staartvin is versierd met zwart.

De jongen hebben tot ze ongeveer 5 weken oud zijn 9 à 10 geelachtige tot kastanjebruine dwarsbanden. Deze banden doorsnijden de hele hoogte van het lichaam en we zien hier opnieuw het zo dikwijls vernoemde  “strepen patroon “ dat zo typisch is voor het broed van de Tropheus. De kleurbeschrijving die Dr.Wolfgang Staeck maakte van dezelfde cichlide kwam zeer goed overeen met die van Nelissen. Staeck voegde er de essentiële lichtblauwe punten aan toe in de hoofd halsomgeving.

 

Een welbepaalde vangst-plaats krijgen we niet van Staeck maar hij legt er de nadruk op in zijn artikel over  “De zuidelijke rassen van Tropheus moorii “ dat de kust van Zambia erg is ingesneden en afwisselend bestaat uit baaien en schiereilandjes. Het is dan ook zo dat deze kustzone, die in lengte redelijk beperkt is, een groot aantal geografische varianten herbergt. Men heeft aan de Zambia kust een reeks prachtig gekleurde varianten van de TM gevangen die na nadere studie bij de TMK’s van Nelissen zijn ingedeeld. Brichard meldde ook dat de volwassen mannetjes uit het zuidelijk deel van het meer een vlezig stootkussen hebben op de snuit veroorzaakt door een sterk gekromde kop en de onderstandige muil, waarmee ze de rotsen afgrazen. Bij de wijfjes uit het zuiden, als ook alle Tropheus dieren uit het noorden ontbreekt dit stootkussen en is de kromming van de kop minder geprononceerd.

 

Een ding is toch zeker.

Sinds de invoer van de Zambia kust kregen de aquarium-liefhebbers enkele juweeltjes van schoonheid en pracht om in het aquarium te zetten. Wanneer men alle kleurvarianten bekijkt die nu van de Zambia-kust worden ingevoerd krijgt men lust ze allemaal in èèn aquarium onder te brengen. Doe dit echter nooit, want de mogelijkheid bestaat dat deze varianten gaan kruisen wat helemaal niet te rechtvaardigen is noch voor de gewone aquariumliefhebber noch tegenover de wetenschap en de natuur.

 

Tropheus polli (G.S.Axelrod,1977)

In 1977 werd nog een Tropheus beschrijving gepubliceerd. Ditmaal ging het om de Tropheus polli die door Glenn S. Axelrod onder de loep was genomen.

Opnieuw ging het om een soort die de aquariumliefhebbers reeds kenden. Hij werd door hen aanzien als een zelfstandige soorten bekend onder de naam “Wimpelmoorii “.

G.S.Axelrod neef van de later beroemde Herbert R. Axelrod volgde de methode van Nelissen in de beschrijving van Tropheus varianten. Hij vergelijkt zijn nieuwe soort met de vroegere beschrijvingen en brengt die punten naar voor die zijn onderwerp waardig maken om tot een nieuwe zelfstandige status verheven te worden.

Als nieuwigheid op het gebied van het onderzoeken en praktische beschrijving van soorten, maakt hij gebruik van de elektronen microscoop om de tanden gedetailleerd te onderzoeken en zijn beschrijving is dan ook geïllustreerd met opmerkelijke foto’s daarvan. G.S. Axelrod preciseert dat de kleuren geen criteria zijn, vermits de Tropheus soorten voorkomen in verschillende kleuren.

 

Voor mij is die stelling niet correct, De kleuren en ook de plaats van de kleuren is van groot belang bij de indeling, samen met de geografische ligging, denk maar aan de dominerende rode kleur bij de zuidelijke varianten van TM. Een belangrijke vraag is of we geen verdere verschillen zouden vinden bij de gekende kleurvarianten van een zelfde soort als we hierbij G.S.A’s microscoop-scan methode zouden gebruiken. Wat er ook van zij, we moeten deze beschrijving ernstig nemen en nadat G.S.A het samen existeren vermeldt meteen rode kleurvariant van de TM de  “dubbelvlekmoorii “ begint hij zijn zeer gedetailleerde Tropheus polli  beschrijving:

Volwassen mannetjes zijn egaal grijs of bruin, met enkele olijfgroene weerschijnen. Het lichaam en de vinnen van wijfjes en jongen zijn olijfgroen tot bruinachtig en de flanken zijn doorstreept met acht witgele dwarsbanden, tussen de kieuwen en de staartwortel. Een negende band bevindt zich op het buitenste deel van de kieuwdeksels. Hij kan ook nog twee gelijkaardige strepen hebben op de snuit en boven de ogen. Deze laatste strekt zich meestal uit op de kaken tot aan de keel. De ogen zijn lichtblauw, de bovenrand is zwart. De bovenste hoek van de kieuwdeksels is met een zwarte vlek getooid. Ter hoogte van het zachte gedeelte in de rug-, en aarsvin, alsook in het midden van de staartvin, vinden we kleine vlekjes en oranje sporen.

 

Ik moet hier opmerken dat heel weinig Tropheus typen iets hebben van een streep-tekening in volwassen toestand. De streep-tekening is karakteristiek voor jonge exemplaren. De Tropheus polli  is verder te herkennen aan zijn speciale vin-tekening en tevens door de vorm van de vinnen. De staartvin is halvemaan-vormig juist zoals we dat kennen van een andere Tanganjikacichlide, nl de Lamprologus brichardi. De mond van de Tropheus polli  is over het algemeen kleiner dan bij de andere Tropheussoorten. De standaardlengte (gemeten van de neus tot de basis van de staartvin) is over het algemeen groter bij de volwassen Tropheus polli dan bij de andere volwassen Tropheussoorten. G.S.A trekt een parallel met de Tropheus annectens en hij stelt vast dat zo wel de Tropheus polli  als de TA 4 harde vinstralen in de aarsvin hebben. Verdere vergelijkingen tussen Tropheus polli  en TA werden niet uitgevoerd. De Tropheus polli  heeft zijn naam gekregen van Max Poll waarvan G.S.A meent dat hij de persoon is die meer heeft gedaan dan wie ook om de kennis over de Tanganjika cichliden te verspreiden. Dat kunnen de meeste aquariumliefhebbers zeker beamen. De totale lengte gemeten van de neus tot het einde van de staartvin van het grootste dier aangewend voor de beschrijving is 16,5 cm, en voor èèn keer was het de beschrijvende auteur die zelf de exemplaren gevangen had. (Dit is toch wel een waarborg voor de juistheid van de gegevens over de vangstplaats en dergelijke. De vangstplaats is dan ook nauwkeurig vastgelegd op de kaart).

 

Tropheus polli is afkomstig van het midden van de oostkust, tegenover de Lukuga rivier en Kalemi. Glen Axelrod heeft de soort aangetroffen langs de zuidkust van Bulu eiland en rond Bulu Point.

Zoals reeds eerder vermeld werd er over Tropheus polli gesproken in maart 1976 onder de naam wimpelmoorii, en dit door zijn langgerekte staartvinpunten die toen beschreven werden als ‘sluierachtig’. Ongeveer een jaar later kwam dan deze vis voor goed op de aquariummarkt en werd goed verspreid onder de aquariumliefhebbers. De verspreiding werd wel in de hand gewerkt door de goede ligging van de vangstplaats daar er in Kigoma (ten noorden van Bulu Point) een goed uitgebouwd vangstation aanwezig is (of was). Men is daar in staat met moderne middelen de Tropheusvarianten te vangen en voor verzending klaar te maken. Meldenswaard is ook dat Glen Axelrod zegt dat de Tropheus polli  tussen de rotsen leeft op een diepte van 6 à 10 meter. Dit zal wel zo zijn, maar later voegt hij er aan toe dat Tropheus polli zich nooit meer dan 6 à 7 meter van zijn ‘standplaats’ verwijderd. Zelfs niet als hij bedreigd wordt. Dit laatste is in strijd met de beschrijvingen van Pierre Brichard die zijn vangstation een weinig meer naar het noorden had. Die betwisting is interessant en een studie in de betreffende biotopen alleen kan zekerheid geven. Het is nauwelijks te geloven dat sommige types van de Tropheus rond zwerven over een aanzienlijke oppervlakte terwijl anderen zich in een klein gebied zouden isoleren en daardoor zeer territoriumvormend zijn.

 

Mijn eerste persoonlijke indruk over Tropheus polli was de sprekende lichamelijke gelijkenis met een andere Tanganyika- cichlide nl Pseudosimochromis curvifrons. De zeer steile voorhoofdspartij. De plaatsing van de smalle mond en het uitzicht van de vinnen met uitzondering van de liervorm van de staartvin. De geslachten Tropheus, Simochromis en Pseudosimochromis zijn toch zeer nauw verwant maar hier gaan we nog wat dieper op in, in het hoofdstuk van de cichliden die op Tropheus gelijken.

Als we even de Afrikaanse cichliden buiten beschouwing laten kan men in verband met de Tropheus polli ook denken aan de Zuid- Amerikaanse cichlide Cichlasoma spilirum (Günter 1862) die ook dezelfde karakteristieke lichaamsvorm heeft en waarvan de staartvin voor wat de oudere exemplaren aangaat, ook opmerkelijk langgerekt kan zijn.

De Tropheus polli  die nu goed verspreid is onder de aquarianen wordt in volwassen toestand wel nooit met andere Tropheussoorten of varianten verward.

 

 

 

09:42 Gepost door Tanganyika Groep in Tanganyika Artikels | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |